Indiaanse magische verhalen. Om uit te printen, voor bij het kampvuur, ter inspiratie of om voor te lezen.


26 februari 2008

Quiltwerk meisje

Een lange tijd geleden gebruikten sommige Indiaanse stammen gekleurde stekelvarken slagpennen in plaats van kralen om hun kleren te verfraaien. De Cheyenne Indianen vertellen het verhaal van een jong meisje die uitstekende quiltwerk deed. De kleren die zij maakte, waren zo mooi dat zij schenen te gloeien.

Zij was nu al weken bezig met het maken en verfraaien van een stel van witte schapenleren kleren voor een man. Het was het soort uitrusting dat een meisje misschien zal maken voor een vriend of voor een broer waar zij heel veel van hield. Maar het meisje heeft nooit een broer gehad. Of een bewonderaar. Haar moeder verwonderde zich erover. Haar moeder verwonderde zich zelfs nog meer toen het meisje een volledig jaar bezig was om nog zes extra schaapsleren uitrustingen te maken.

Toen vertelde het meisje haar moeder, "Ik heb van een familie van zeven broers gehoord die geen zus hebben. De kleren zijn voor hen". En zij zei tot ziens tegen haar moeder, omdat ze de jonge mannen ging zoeken. –Gedroomd- en dromen moet je altijd volgen zegt haar moeder en wil met haar mee gaan – in de droom ga ik alleen zegt Quiltwerk meisje – en dus laat de moeder haar alleen gaan.

Na een lange reis ontmoet zij een kleine jongen. Hij vertelt haar dat hij met zes oudere broers leeft, die allen aan het jagen zijn. Zij geeft hem het kleinste stel kleren. Hij probeert ze aan en ze passen perfect. Het meisje vertelt hem dat zij zijn zus is. Latere die dag keren de broers van de jongen van hun jacht terug en dragen stapels buffel vlees. Zij houden van hun prachtige nieuwe schapenleren uitrusting en zijn gelukkig te horen dat zij een nieuwe zus hebben.

Op een dag toen het meisje en de jongste broer alleen thuis waren, hoorden zij iemand kloppen aan de deurflap van hun tipi. De jongen was verrast een klein buffelkalf te zien. Het kalf zei aan hem, "Geef ons uw zus. De buffel stam wil haar". De jongen zei; "Wat? Wij willen niet! Maak je niet belachelijk!" "Let op," zei het kalf. "Morgen zal hier een groter iemand komen".

De volgende dag hoorden de broer en zus een luid kloppen, Het was een buffel stier of jonge koe, die zei, "De buffels willen uw zus. Geef haar aan ons". "Nooit!" zei de jongen en ging naar binnen. "Goed, een groter iemand zal hier morgen zijn," zei de stier. De volgende dag klopte een grote oude buffel koe op de deurflap. "Wij willen dat uw zus bij ons komt leven". "Nooit!" zei de jongen. "U zult droevig zijn," zei de koe, "wanneer u ziet wie morgen komt".

De volgende dag bleven alle zeven broers thuis met hun aangenomen zus. Toen zij zenuwachtig in hun tent zaten, hoorden zij in de verte gerommel. Zij voelden het terrein om en onder hen schudden. Toen sloeg iets hard tegen de tent aan. Het was een reusachtige buffel stier, boos en stomend van ongeduld, die door de hele buffel kudde gevolgd werd. "Geef mij uw zus!" "Nee!" zeiden de jongens. "Indien ik haar niet kan hebben, zal ik u doden, " zei de buffel.

De jongens keken naar elkaar. Wat zouden zij doen? Zij gingen snel terug in de tipi , sneden een gat in de achterkant, klommen er daar weer allemaal uit en begonnen te rennen! De jongste broer zei; "Vlug! Klim in die boom!" Er was een grote populier dichtbij. Zij klommen met z´n allen in de boom en hielden zich goed vast aan de takken. De jongen schoot een pijl in de stam van de boom. Whoosh! De boom groeide plotseling. Hij droeg hen allen naar de lucht, ver weg van de buffels.

De volledige kudde buffels stootten tegen de boom met hun reusachtig hoofden. De dreun! De boom schudde. De jongen schoot nog een pijl in de takken en de boom groeide opnieuw. Toen de buffels opnieuw en opnieuw tegen de boom stootten, schoot de jongen pijlen in de boom tot die groeide tot in het middelpunt van de hemel. Precies op het moment dat de boom op breken stond, begonnen de jongens en hun zus begon te gloeien.

Zij werden sterren -de sterren van de Grote Steelpan. Als je op een heldere avond naar buiten gaat, zul je de Grote Beer boven je zien. Sommige mensen zeggen dat de kleinste broer de ster aan het eind van het handvat van de Steelpan is, maar ik denk dat hij Alcor, de minuscule ster moet zijn, die naast de middenster in het handvat van de Steelpan fonkelt. Nu je dit verhaal hebt gehoord; kijk zelf eens naar de Steelpan. Wat denk je? De felste is de zus!

Gepost door Suuz om 10:17 am | Categorie Verhalen | Reacties (0)

30 november 2006

De Mexicaan

Dit keer een ander verhaal dan anders, maar toch bijzonder ;-)

In Mexico wordt heel wat gesmokkeld. Op een dag rijdt een Mexicaan op de fiets richting grens met een baal zand op zijn rug. De douanier sommeert hem te stoppen: ‘Stop! Ik wil zien wat er in die zak zit.’ De man zegt dat er zand in zit. De douanier vraagt hem om de zak te legen en ja hoor, er zit alleen maar zand in, dus laat hij hem gaan. Dit gebeurt elke keer weer, wel twee of drie keer per week en de douanier vermoedt dat er iets niet pluis is.

Op een dag is hij aan de andere kant van de grens. Hij zit in het café wat te drinken en ziet die man binnenkomen. Hij loopt naar de Mexicaan toe en zegt: Ik heb je bij de grens gezien, maar nu ben ik niet in functie – ik haal een drankje voor je.’ Ze drinken wat en hij zegt tegen de man: ‘Luister, even over wat er bij de grens gebeurt. Jij zit op de fiets met je zandzak en als ik erin kijk zit er altijd zand in. Ik heb sterk het vermoeden dat je iets smokkelt. Vooruit, we zijn nu vrienden, ik zal je niet aangeven, maar zeg me wat je smokkelt.’

En de Mexicaan antwoordt: ‘Fietsen.’

Gepost door Suuz om 01:34 pm | Categorie Verhalen | Reacties (0)

08 september 2006

De pijlenmaker

Dit verhaal vertelt over een Kiowa pijlenmaker en zijn vrouw. Op een avond zaten ze in hun tipi. De man zat in het licht van het vuur pijlen te maken, toen hij door een kleine opening in de tent iets vreemds zag.

'Er staat iemand naar binnen te kijken, maar wees niet bang', fluisterde hij tegen zijn vrouw. ‘We praten gewoon door of er niets aan de hand is.' Hij pakte een pijl en met zijn tanden boog hij het recht. Daarna legde hij de pijl op zijn boog om te kijken of het goed was. Hij richtte en zei, alsof hij rustig tegen zijn vrouw praatte: 'Ik weet dat je daar buiten staat. Als je Kiowa bent, kun je me verstaan en zul je ons je naam vertellen'. Er kwam geen antwoord. De man richtte de pijl de andere kant op en herhaalde de opmerking. Zo liet hij de pijl alle kanten op wijzen, maar niet één keer kwam er een reactie. Uiteindelijk richtte hij zijn pijl op de plek waar zijn vijand stond en liet de pees los. De pijl ging dwars door het doek van de tipi en doodde de vijand.

Gepost door Suuz om 11:47 am | Categorie Verhalen | Reacties (1)

18 april 2006

De grote ogen van de Uil

Een verhaal van de Iroquois Indianen

Raweno, voor de Iroquois Indianen de 'Allesmaker', was druk bezig allerlei verschillende dieren te creëren. Hij was net bezig met het Konijn, en deze zei tegen Hem: "Ik wil mooie lange poten en grote oren, net als het Edelhert en scherpe slagtanden en klauwen als de Panter." "Dat is goed Konijn." zei Raweno, "Ik maak ze precies zoals jij wilt." Roweno begon de achterpoten van het Konijn langer te maken, precies zoals deze had gevraagd.

De Uil, nog steeds niet gevormd, zat op een nabijgelegen boom verveeld zijn beurt af te wachten. "Woe woe", schreeuwde de Uil, "Ik wil een mooie lange nek net als de Zwaan, van die schitterende rode veren als de Papegaai, een lange bek als de Pelikaan en mooie pluimveren als de Reiger. Ik wil dat je me vormt tot de mooiste, snelste, en meest bijzondere vogel die er is."

"Houdt je mond Uil", zei Raweno. "Draai je om en kijk de andere kant op. Of nog beter: doe je ogen gewoon dicht. Je weet dat niemand mag kijken als ik aan het werk ben." Raweno was net bezig de oren van het Konijn erg lang te maken, precies zoals deze ze wilde hebben.

Maar de Uil weigerde naar Raweno te luisteren, en zei: "Woe woe, niemand kan mij verbieden om te kijken. Niemand kan mij dwingen om mijn ogen dicht te doen. Ik vind het leuk om naar je te kijken en kijken zal ik." Raweno werd nu zo boos op de Uil, dat hij hem met twee handen greep, en naar beneden trok. Hij duwde het hoofd van de Uil diep in het lichaam; schudde hem door elkaar totdat de ogen van de Uil groot werden van angst, en trok zijn oren uit tot pluimen aan weerszijde van zijn kop. "Daar", zei Raweno, "dat zal je leren. Nu kan je nooit meer je nek buigen om dingen te zien die je niet hoort te zien. Nu heb je grote oren zodat je beter luistert als iemand je verteld dat je iets niet mag doen. Nu heb je grote ogen, maar niet zo groot dat je me kan zien. Want vanaf nu ben je alleen 's nachts wakker, en ik werk overdag. En je veren zullen niet rood zijn, maar grijs als dit." Raweno nam een hand vol modder en smeerde de Uil er helemaal mee in; "als straf voor je ongehoorzaamheid."

Hevig geschrokken vloog de Uil weg. "Woe woe woe..." Raweno draaide zich terug om zijn werk aan het Konijn af te maken, maar deze was zo hevig geschrokken en angstig geworden van Raweno's boosheid dat hij, ook al was het niet tegen hem gericht, slechts half klaar was gevlucht.

Het Konijn is dus niet af... Daardoor zijn alleen zijn achterpoten lang, en kan hij slechts huppelen in plaats van lopen en rennen. Het Konijn is toen zodanig geschrokken dat hij nog steeds voor alles bang is en heeft nooit de slagtanden en klauwen gekregen die hij zo graag wilde hebben. Was hij toen niet gevlucht, dan was het Konijn nu een compleet ander dier geweest.

Gepost door Suuz om 11:26 am | Categorie Verhalen | Reacties (3)

21 februari 2006

Het Oneida Scheppingsverhaal

Opgetekend door Keller George, Vertegenwoordiger van de Wolf Clan in de Nation's Men's Council, hem verteld door zijn overgrootmoeder.

Lang, lang geleden, de aarde lag diep onder het water. Er was een grote duisternis omdat er geen zon, maan of sterren straalden. De enige wezens die in deze donkere wereld leefden waren de waterdieren zoals de bever, de muskusrat, de eend en de fuut.

Ver boven de, met water bedekte, aarde lag het land van de gelukkige geesten, waar de Grote Geest verbleef. In het midden van dit rijk stond een gigantische appelboom waarvan de wortels diep in de grond staken. Op een dag trok de Grote Geest de boom uit de grond waardoor er een groot gat ontstond. De Grote Geest riep zijn dochter, die in de bovenwereld leefde en beval haar om in het gat te kijken. De vrouw deed wat haar gevraagd werd en keek door het gat. In de verte zag ze de benedenwereld bedekt met water en wolken.

De Grote Geest sprak tot zijn dochter, hij vertelde haar dat ze de wereld van duisternis moest betreden. Hij pakte haar voorzichtig op en gooide haar door het gat. De vrouw, die Hemel Vrouw genoemd werd door de wezens die haar zagen vallen, daalde langzaam af naar beneden. Terwijl Hemel Vrouw haar afdaling voortzette, keken de waterdieren naar boven. Ver boven zich zagen ze het grote licht dat Hemel Vrouw bleek te zijn. De dieren waren bang vanwege het licht dat van haar afstraalde. In hun angst doken ze diep onder het water.

Uiteindelijk overwonnen de dieren hun angst en kwamen terug naar de oppervlakte. Nu maakten ze zich zorgen om de vrouw: wat zou er met haar gebeuren als zij in aanraking zou komen met het water?
De bever vertelde de anderen dat ze een droge plek voor haar moesten vinden waar ze op kon uitrusten. De bever dook diep onder water op zoek naar aarde. Hij had geen succes. Na een tijd kwam zijn dode lichaam boven drijven. De fuut was het volgende dier dat aarde probeerde te vinden. Hij had ook geen succes. Vele andere probeerden, maar elk dier faalde. Tenslotte zei de muskusrat dat hij het zou proberen. Toen zijn dode lichaam boven kwam drijven zaten zijn pootjes stevig dicht geknepen. De anderen maakten deze open en vonden een klein beetje aarde.

De overgebleven waterdieren riepen de grote schildpad en legden de aarde op zijn rug. Direct begon de schildpad te groeien en te groeien, net als het beetje aarde. Deze aarde werd Noord-Amerika, een groots eiland. Ondertussen daalde Hemel Vrouw nog steeds rustig af. De leider van de zwanen maakte zich zorgen om haar en verzamelde een troep zwanen die omhoog vlogen zodat Hemel Vrouw kon rusten op hun ruggen. Met grote voorzichtigheid brachten ze haar naar de nieuw gevormde aarde.

Vlak na haar aankomst, kreeg Hemel Vrouw een tweeling. De eerstgeborene werd bekend als de Goede Geest. De andere bracht zijn moeder zoveel ellende dat zij tijdens zijn geboorte stierf. Hij werd bekend als de Kwade Geest. De Goede Geest nam zijn moeders hoofd en hing het in de lucht, dit werd de zon. De Goede Geest maakte ook de sterren en de maan van het lichaam van zijn moeder. Hij begroef de resterende delen van haar lichaam onder de grond. Zodoende zullen levende wezens altijd gevoed worden door Moeder Aarde. Terwijl de Goede Geest de aarde voorzag van licht creëerde de Kwade Geest de duisternis. De Goede Geest creëerde vele dingen, maar iedere keer probeerde zijn broer zijn goede werk ongedaan te maken.

De Goede Geest maakte tal van schitterende bomen, inclusief de grove den en de hemlock den. De Kwade Geest liet enkele bomen misvormen en gaf ze knoesten en kwasten in de stam. Andere bomen bedekte hij met doornen of hij vergiftigde hun fruit.
De Goede Geest creëerde de beer de het hert. De Kwade Geest maakte giftige dieren zoals hagedissen en serpenten om de dieren te vernietigen die door zijn broer waren gecreëerd.
Toen de Goede Geest waterbronnen en riviertjes maakten van kristalhelder water, vergiftigde de Kwade Geest enkele en plaatste slangen in de andere.
De Goede Geest maakte mooie rivieren. De Kwade Geest duwde stenen en modder in enkele rivieren die daardoor snelle en gevaarlijke stromingen kregen.
Nadat de Goede Geest klaar was met de creatie van de aarde, creëerde hij de mens uit rode klei en gaf hen instructies hoe ze moesten leven. De Kwade Geest maakte een aap uit zeeschuim.

Toen zijn werk bijna compleet was, gaf de Goede Geest een bescherm-geest aan al zijn creaties. Daarna riep hij zijn broer en vertelde hem dat hij moest stoppen met problemen te maken. De Kwade Geest weigerde nadrukkelijk. De Goede Geest werd woedend over de slechtheid van zijn broer. Hij daagde zijn kwade tweelingbroer uit tot een duel, de winnaar zou heerser worden over de aarde. Als wapens gebruikten ze de doornen van een reusachtige appelboom. De strijd duurde vele dagen en toen overwon de Goede Geest zijn kwade broer. De Goede Geest nam zijn plaats als heerser van de aarde en verbande zijn broer naar een donkere grot onder de grond. De Kwade Geest moest voor altijd in deze grot blijven.

De Kwade Geest heeft echter verdorven volgelingen die hem gehoorzamen en over de aarde rond zwerven. De Kwade Geesten zijn in staat om elke gedaante aan te nemen en zorgen ervoor dat de mens slechte dingen doet. Dit is de reden waarom iedereen een goed en een slecht hart heeft. Ongeacht hoe goed een mens is, hij bezit ook een slechte kant. Het omgekeerde is ook waar. Hoe slecht iemand ook is, hij heeft toch ook enkele goede eigenschappen. Geen mens is volmaakt.

Gepost door Suuz om 12:59 pm | Categorie Verhalen | Reacties (0)

10 januari 2006

Liefde

Dit keer een niet-Indiaans verhaal;

Een boer had een nest puppies dat hij moest verkopen. Hij maakte een bord met “4 puppies te koop!” en begon het bord vast te maken aan een paal op de rand van zijn erf. Terwijl hij hier mee bezig was, werd er aan zijn overall getrokken. Hij keek recht in de ogen van een klein jongetje. “Meneer,” zei het jongetje “Ik wil 1 van uw puppies kopen”. “Nou,” zei de boer terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegde, “Deze puppies komen van goede ouders en zijn zeker niet goedkoop!”.

Het jongetje liet zijn hoofd eventjes hangen. Daarna zocht hij diep in zijn zakken en hield een hand vol kleingeld omhoog naar de boer. “Ik heb 39 cent. Is dat genoeg om naar de puppies te kijken?” “Best”, antwoordde de boer. Daarna floot hij op zijn vingers. “Dolly, hier!” riep hij. Uit het hondenhok kwam Dolly aangerend, gevolgd door 4 kleine haarballen.

Het jongetje drukte zijn neus tegen het hek aan. Zijn ogen dansten van plezier. Terwijl de honden het hek naderden, zag het jongetje nog iets bewegen in het hondenhok. Langzaam verscheen er nog een kleine haarbal, deze aanmerkelijk kleiner dan de anderen. De kleine puppy kwam op een enigszins vreemde manier achter de anderen aangehobbeld, proberend hen weer in te halen...“Die wil ik!” zei het jongetje, wijzend naar de achterblijver. De boer knielde neer bij het jongetje en zei; “Jongen, je wilt die puppy niet. Hij zal nooit met je kunnen rennen en spelen zoals de andere honden.”

Het jongetje nam een stap naar achteren, bij het hek vandaan en begon 1 van zijn broekspijpen op te rollen. Hiermee onthulde hij 2 stalen beugels die aan weerszijden van zijn been vast zaten aan een speciale schoen. Opkijkend naar de boer, zei hij; “Weet u, Meneer, ik ren zelf ook niet al te best, en hij zal iemand nodig hebben die dat begrijpt.”

Met tranen in zijn ogen, reikte de boer naar beneden en pakte de kleine pup op. Voorzichtig gaf hij hem aan het jongetje. “Hoe veel?” vroeg het jongetje. “Geen prijs” antwoordde de boer. Er is geen prijs voor liefde. En de hele wereld is vol met mensen die iemand nodig hebben die het begrijpt.

Gepost door Suuz om 05:07 pm | Categorie Verhalen | Reacties (1)

23 oktober 2005

Een mooi hart

Op een dag stond er een jongeman in het midden van zijn dorp en beweerde dat hij het mooiste hart had van de hele vallei. Een grote menigte had zich om de jongeman verzameld en ze waren het allemaal met hem eens, zijn hart was perfect. Er zat geen schrammetje of wond in zijn hart en ze waren het er allemaal over eens dat het, het mooiste hart was wat ze ooit gezien hadden. De jongeman was er erg trots op en pochte nog meer over zijn mooie en perfecte hart.

Op een dag verscheen er een oude man vanuit de menigte en zei: "Waarom is jouw hart niet zo mooi als het mijne?!" De menigte en de jongeman keken naar het hart van de oude man. Het sloeg krachtig, maar het zat vol littekens en er waren plaatsen bij waar er stukken uit waren gehaald en andere stukken waren in gezet, maar deze stukken pasten er niet mooi in, de hoeken waren rafelig. Er waren plaatsen bij waar hele stukken misten uit zijn hart. De mensen keken verbaasd - hoe kun je zeggen dat je hart het allermooiste is dachten ze?

De jongeman keek naar het hart van de oude man en zag de staat waarin het verkeerde en lachte: "Je maakt een grapje", zei hij. "Vergelijk jouw hart eens met het mijne. Die van mij is perfect en de jouwe is een puinhoop vol littekens en scheuren." "Ja," zei de oude man, "jouw hart ziet er perfect uit, maar ik zou niet met je willen ruilen."
"Kijk" sprak hij, "elk litteken vertegenwoordigt een persoon aan wie ik mijn liefde heb gegeven - ik scheur een stukje uit mijn hart en geef het, en vaak geven ze me een stukje van hun hart terug om zo de lege plaats op te vullen. Maar de stukken zijn niet precies hetzelfde. Ik heb gerafelde hoeken, dat ben ik met je eens, maar het herinnert me er aan dat we de liefde met elkaar hebben gedeeld. Soms geef ik een stukje van mijn hart weg en heeft de ander me geen stukje van zijn hart terug gegeven. Dat zijn de lege gaten - het geven van liefde is een risico. Ook al zijn die gaten in mijn hart pijnlijk, ze blijven open. Het herinnert me er aan dat ik ook liefde heb voor deze mensen en ik hoop dat ze op een dag zullen terugkeren en het gat zullen opvullen. Zo," zei hij "zie je nu wat echte schoonheid is?"

De jongeman stond geheel roerloos met tranen die over zijn wangen rolden. Hij wandelde naar de oude man toe en greep in zijn perfecte hart en scheurde er een stuk uit. Hij offerde het aan de oude man met trillende handen. De oude man nam zijn offer aan en plaatste het in zijn eigen hart. Hij nam een ander stuk uit zijn hart en plaatste het in de wond van het hart van de jongeman. Het paste wel niet perfect, er zaten wat rafels aan, maar de jongeman keek naar zijn hart, niet meer perfect, maar mooier dan voorheen, omdat de liefde van de oude man nu ook door zijn hart stroomde.

Gepost door Suuz om 01:36 pm | Categorie Verhalen | Reacties (2)

10 september 2005

De legende van de Vier Wolven

In het begin der tijden was alles nog één en onderling afhankelijk. Het was een tijd van harmonie. In de bergen woonde Het Enorme Beest der Natuur, Gilalasi. Uit deze Grote Wolf werden vier kinderen geboren, eerst twee zoons, toen een dochter en ten slotte Nanola, de jongste zoon. De wolvenkinderen werden de stamouders van de indianen van de noordwestkust en vervolgens van alle andere volkeren.

Dat gebeurde als volgt: de vier wolvenkinderen speelden op een goede dag met een bal van magisch kristal. Gewoonlijk won Kawadilikala, de oudste en machtigste wolvenzoon, het spel, doch op een keer verloor hij van zijn jongste broertje, Nanola. Hij ontstak in razernij, huilde naar de vier windrichtingen en veranderde zijn broer in arendsdons. Hij blies het in wolken over de wereld en overal waar het dons de aarde raakte, bijvoorbeeld als sneeuw, veranderde het in een nieuw volk met een eigen taal. En zo kwam het dat het arendsdons dat ooit Nanola was de broederband werd tussen alle volken der aarde.

Nog steeds is arendsdons voor de indianen van de noordwestkust een symbool van vrede, vriendschap en de verbondenheid der volken. De wolf is het symbool voor familieband en samenleving. Vier wolven zijn een teken van de levenscyclus en het ontstaan aller dingen.

Gepost door Suuz om 08:40 pm | Categorie Verhalen | Reacties (2)

02 juni 2005

Twee wolven

Op een avond vertelde een oude Cherokee Indiaan zijn kleinzoon over de strijd die woedt in mensen. Hij zei: "mijn zoon, het is de strijd tussen de twee wolven binnen in ons allemaal."

De ene wolf is slecht. Het is woede, jaloezie, spijt, schuld, zelfmedelijden, hebzucht, arrogantie, leugens en ego.

De andere wolf is goed. Het is vreugde, vrede, liefde, hoop, empathie, vrijgevigheid, waarheid, compassie en vertrouwen.

De kleinzoon dacht hier een paar minuten over na en vroeg toen: "welke wolf wint er?"

De oude Cherokee antwoordde simpel: "diegene die je voedt."

Gepost door Suuz om 10:40 pm | Categorie Verhalen | Reacties (3)

06 mei 2005

De raaf steelt het licht

In het begin, voordat er iets op Aarde was, voor de grote vloed uit de zee het land overstroomde en zich weer terugtrok, voor er dieren over de Aarde liepen en bomen het land groen kleurden, voor de vogels tussen de bomen vlogen, ja zelfs voor er vissen, walvissen of zeehonden in de zee zwommen, leefde er een oude man in een huis op de oever van een rivier met zijn enig kind, een dochter. Of zij zo mooi was als dennentakken tegen een lentelucht bij zonsopgang of zo lelijk als een naakte zeeslak is eigenlijk voor dit verhaal niet zo van belang, omdat het verhaal zich voornamelijk in het donker afspeelt.

In die tijd was het in de hele wereld donker; pikdonker, zo inktzwart dat je geen hand voor ogen kon zien en het was donkerder dan duizend winterstormen in het midden van de nacht, donkerder dan er ooit iets was of is geweest sinds die tijd. De oorzaak dat het zo donker was heeft te maken met de oude man in het huis bij de rivier die een kist had waarin een kist zat, waarin een kist zat, waarin een oneindig aantal kisten zaten ieder een klein beetje kleiner dan de volgende tot uiteindelijk er een kistje was, zo klein, dat het alle licht van het universum kon bevatten.

De Raaf, die natuurlijk al bestond in die tijd, omdat hij altijd al heeft bestaan en altijd zal bestaan, was een beetje ongelukkig met situatie omdat het leidde tot een afschuwelijk en onbeholpen gestuntel, een pijnlijk botsen met objecten op zijn weg. Het vertraagde hem erg in zijn zoektochten naar voedsel en andere vleselijke pleziertjes en in zijn constante poging zich overal mee te bemoeien en dingen te willen veranderen. Uiteindelijk leidde zijn onbeholpen gestuntel hem tot dicht bij de plaats van het huis, van de oude man aan de oever van de rivier. In het begin hoorde hij een zangerige stem zachtjes mompelen. Toen hij het stemgeluid volgde, kwam hij al snel bij de muur van het huis waar hij met zijn oor tegen de planken nog net de woorden kon verstaan: "Ik heb een kist en in die kist zit een andere kist en in die kist zitten heel veel kisten en in de allerkleinste kist, zit al het licht van het universum en het is alleen van mij en ik geef het nooit van mijn leven weg, zelfs niet aan mijn dochter want wie weet, misschien is ze wel zo lelijk als een naakte zeeslak en noch zij, noch ik willen, dat óóit weten!

Het duurde maar een ogenblik voordat de Raaf besloot om het licht te stelen, maar het duurde veel langer voordat hij een manier kon bedenken om het te krijgen. Allereerst moest hij een deur vinden in het huis. Maar hoe vaak hij ook om het huis heen stuntelde of hoe vaak hij alle planken aftastte, het bleef een vlakke ononderbroken wand. Soms hoorde hij de oude man of zijn dochter het huis verlaten, om water te halen of voor een andere reden, maar ze kwamen altijd aan de andere kant in het huis terug en wanner hij naar die kant rende, bleef de houten muur gesloten als altijd. Tenslotte ging de Raaf, ten einde raad, stroomopwaarts aan de rivieroever zitten en dacht en dacht en dacht, hoe hij het huis toch moest binnen komen. Terwijl hij daar zo zat, begon hij steeds meer te denken aan het jonge meisje die in het huis leefde en met het denken aan haar, welde er meer bij de Raaf op dan alleen zijn verbeelding.

"Het is waarschijnlijk dat ze zo lelijk is als een naakte zeeslak", zei hij tot zichzelf, "maar van de andere kant kan ze ook zo mooi zijn als dennentakken tegen een lentelucht bij zonsopgang, als er maar genoeg licht was om er een te maken." en in deze nutteloze speculatie vond hij de oplossing van zijn probleem. Hij wachtte tot de jonge vrouw, wier voetstappen hij had leren onderscheiden van die van haar vader, naar de rivier kwam om water te halen. Dan veranderde hij zichzelf in een enkele dennennaald, liet zich in het water vallen en dreef stroomafwaarts om juist op tijd gevangen te worden in de mand die het meisje in het water dompelde. Zelfs in zijn erg veranderde vorm, was de Raaf in staat tot een heel klein beetje magie, genoeg om het meisje zo dorstig te maken dat ze een grote slok water uit de mand nam en daarbij de dennennaald inslikte.

De Raaf gleed naar beneden diep in haar warme ingewanden en vond een zachte comfortabele plaats waar hij zich opnieuw veranderde, deze keer in de vorm van een heel klein mensje en ging slapen voor een lange tijd. En terwijl hij sliep groeide hij en groeide hij en groeide hij. Het jonge meisje had geen idee wat haar overkwam en natuurlijk vertelde ze niets aan haar vader die niet iets bijzonders ontdekte omdat het zo donker was, totdat hij plotseling het nieuwe lid van de familie gewaar werd toen de Raaf eindelijk triomfantelijk tevoorschijn kwam in de vorm van een baby. Hij was, of zou zijn, als iemand hem had kunnen zien, een vreemd uitziend jongetje, met een lange vooruitstekende neus en een paar zwarte veren hier en daar. Bovendien had hij de glinsterende ogen van de Raaf, die zijn gezicht een levendige en nieuwsgierige uitdrukking gaf, als er iemand was geweest die deze eigenschappen had kunnen zien. En hij was luidruchtig! Hij had een stem met een geluid van een verwend jongentje en een kwade Raaf. Toch kon hij soms geluidjes maken zo zacht als de wind door de dennentakken, met de echo van dat betoverende geluid, als een organische bel, die zo kenmerkend is voor de spraak van iedere Raaf.

Met de tijd begon de liefde van zijn opa te groeien voor dat vreemde nieuwe lid van zijn huishouding en bracht hij veel tijd door met spelen, speelgoed maken en spelletjes voor hem te verzinnen. Na een tijd toen de Raaf meer en meer de liefde en vertrouwen van de oude man voor zich wist te winnen, ging de Raaf doelbewust op zoek in het huis om uit te vinden waar het licht was verborgen. Na veel verkenningstochten door het huis was hij er van overtuigd geraakt dat het licht zat verborgen in de grote kist die stond in een hoek van het huis. Op een dag lichtte hij voorzichtig het deksel van de kist op, maar kon natuurlijk niets zien en kon alleen voelen dat er nog een andere kist in zat. Zijn grootvader echter hoorde dat hij aan zijn kostbaarste bezit kwam en dreigde de jonge dief met gruwelijke straffen als het ravenkind ooit de kist nog zou aanraken. Dit veroorzaakte een groots opgezette actie van luide protesten gevolgd door liefderijke smeekbeden waarin de Raaf nooit het licht noemde maar slechts smeekte om de kist in de kist. Die kist, zei het ravenkind, was het enige in de héééle wereld dat hem volkomen gelukkig kon maken.

Als zoveel, zo niet alle grootvaders doen sinds het begin, begon de oude man te bezwijken en gaf zijn kleinkind de buitenste kist. Dit stelde de jongen slechts een korte tijd tevreden, dus zoals al zoveel, zo niet alle kleinkinderen doen sinds het begin, begon de Raaf te smeken voor de volgende kist. Het duurde vele dagen voordat met gevlei, zorgvuldig uitgebalanceerde en goed geplande woede aanvallen, één voor één de kisten werden verwijderd. Toen er slechts een paar kisten over waren begon een vreemde straling, nooit eerder waargenomen, de inktzwarte duisternis van het huis te verbreken en die vage vormen en schaduwen onthulde, nog te zwak om een duidelijke vorm te kunnen zien. Het ravenkind begon te smeken, met zijn meest meelijwekkende stem om voor slechts één moment dat vreemde licht te mogen vasthouden. Zijn verzoek werd direct geweigerd, maar natuurlijk met de tijd moest ook hier grootvader capituleren. De oude man pakte het licht uit de laatste kist in de vorm van een gloeiende bal en gaf het uiteindelijk aan zijn kleinzoon.

Slechts een vluchtig moment kon hij het kind zien die hij zo verwend had met liefde en genegenheid, toen de Raaf zijn vorm veranderde tot een enorme, zwart glinsterende schaduw, de vleugels gespreid en de bek wijd open, wachtend op het licht. In hetzelfde moment greep de Raaf het licht met zijn klauwen, sloeg zijn vleugels met kracht naar beneden en schoot als een pijl door het rookgat van het huis in de oneindige duisternis van de wereld. Die wereld was plotseling volkomen veranderd. In de verte waren de silhouetten van de bergen en valleien zichtbaar geworden, de rivieren weerkaatsten verblindende reflecties en overal ontwaakte leven. In de verte, achter het silhouet van de bergen, steeg een grote vogel met een machtige vleugelslag omhoog, op het moment dat het licht zijn ogen raakte. Voor de eerste keer zag de Arend zijn prooi.

De Raaf vloog verder, verheugd met zijn nieuwe bezit en genietend van de ervaring om te zien waar hij vloog in plaats van een afschuwelijk onbeholpen gestuntel en pijnlijk botsen met objecten op zijn weg. Hij genoot zo van zijn vlucht dat hij de Arend niet zag, totdat die bijna vlak boven hem was. In paniek probeerde hij aan de wrede uitgestrekte klauwen te ontsnappen en liet van schrik een groot stuk van het licht vallen. Het viel op de rotsen beneden hem en er braken heel veel splinters af. Ze stuiterden terug, hoog in de lucht en bleven daar tot op de dag van vandaag, als de maan en de sterren die de nachten verlichten.

De Arend achtervolgde de Raaf tot achter de horizon van de wereld en daar, uitgeput door de lange jacht, liet de Raaf eindelijk zijn laatste stuk licht los. Achter de horizon van de wereld dreef het licht rustig over de wolken en steeg uit boven de bergen in het Oosten. Zijn eerste stralen vonden een ingang in het rookgat van het huis bij de rivier, waar de ouden man bitter zat te huilen over het verlies van zijn kostbaar licht en het verraad van zijn kleinkind. Maar als het licht zijn huis binnenstormt, kijkt hij op en voor de eerste keer in zijn leven ziet hij zijn dochter, die al die tijd stil in een hoekje was blijven zitten kompleet verbijsterd door de vloed van gebeurtenissen. Hij zag dat zij zo mooi was als dennentakken tegen een lentelucht bij zonsopgang en begon zich weer beter te voelen.

Gepost door Suuz om 06:40 pm | Categorie Verhalen | Reacties (2)

(Sub)categorieën
Happiness

Wil je op de hoogte blijven?
Meld je aan voor de gratis nieuwsbrief!
Email  
 
Je Email zal alleen gebruikt worden om de nieuwsbrief te versturen!
Fotolog

Zoeken in Puur.log
 
Weatherpixie
The WeatherPixie
Het weer gemeten in de Bilt, Utrecht.
© 2005-2012 Heel Puur